Het verhaal van Antje Kuiper-Glas

Door Netty Zander

Onderstaand verhaal staat in een schriftje dat ik van mijn moeder Anna Zander-Bakker heb gekregen. Mijn moeder heeft daaraan toegevoegd: ‘Dit is een waar verhaal van Antje Kuiper-Glas die herinneringen heeft opgeschreven uit haar leven. Daar mijn schoonmoeder Neeltje Zander-Glas, geboren 1883, veel over vroeger heeft verteld en ook in de Weere geboren is, komt het ons wel bekend voor. Daar er moeilijk kopieën van waren te maken heb ik het overgeschreven’. Het verhaal van Antje Kuiper-Glas geeft een mooi tijdsbeeld weer van het leven aan de Gouwe en De Weere. Dat is de reden dat ik het graag digitaal heb gemaakt om ook u er kennis van te laten nemen.

‘1893. Het was al april en door de strenge winter en het droge voorjaar wilde er maar heel weinig groeien op het land waar straks het vee weer moest grazen en zorgen dat de boeren weer konden kazen van de melk die ze twee maal per dag van de dieren molken. De koeien stonden dus bij Simon Glas en Trijntje Pijper ook nog op stal en het was al bijna mei. Daar kwam bij, dat er weer een kleine werd verwacht ofschoon ze al 3 kinderen hadden. De oudste, Pieter, was 9 jaar en Grietje zou in juli 8 worden en Cornelis was 6 jaar geworden op 1 december. Ze hadden een jonge flinke werkman, Piet Nierop, die hetzelfde jaar getrouwd was met Antje Visser. Beiden slechts 20 jaar. Het ging zo het ging, maar de koeien moesten in de weide daar ze voor de komst van de kleine het huis schoon wilden hebben. Dus 1 mei was de dag gekomen dat de schoonmaak kon beginnen. Dat was een heel karwei, zo’n oud boerenhuis met geverfde schotten en kamers, alles moest geboend en gezeept en geschrobd en gezanddweild, dagen was men met alle macht aan het werk om het klaar te krijgen. De kaastobbe was weer in volle actie, de meid, de werkster, de moeder, de vader, de knecht, de werkman, van vroeg tot laat. Maar als zo’n boerderij dan eenmaal van binnen en buiten niet te vergeten, een beurt had gehad, dan was het ook weer een lust voor het oog. De stallen geblauwd, geteerlakt en schelpen op de stallen. Oude genaaide kleden op de koegang. De gordijnen gingen proper als gestijfde kanten voor de ramen. De bedden werden soms weer opnieuw behangen met een papiertje, evenals de stalletjes waar men ’s zomers woonde. De kamers werden alleen door Vader en Moeder en de kleinsten beslapen, de rest sliep op de bedden in de koegang of een achterkamertje. Zodoende was er dan weer iets minder werk daar de boerin ’s morgens na het ontbijt naar de kaastobbe ging, zo ongeveer tot 10 uur. Dan waren de kazen in de pers. Dat ontbijt bestond uit een snee eigengebakken tarwebrood en een snee roggebrood met kaas en beschuit. Jam of iets dergelijks was er niet, maar wel goede boter en dan kaas op spek of ham of niets. Met thee, maar 1 kopje met suiker bij ons, maar bij de meesten helemaal geen suiker. Waar de suikerpot op tafel stond, was een verkwistende vrouw, en als een vrouw niet melken kon, dan was ze ook niet veel waard.’

Op deze boerderij boerde Simon Glas van 1881 tot 1907.
Op de foto uit 1905 zien we vlnr Antje Glas, Trijntje Glas-Pijper,
Simon Glas, Grietje Glas en Grietje Toereppel, Cornelis en Pieter Glas.

 

‘Het was dus bij Simon Glas en Trijntje Pijper een spannende tijd. Men werkte hard, dag aan dag. Het was een gelukkige omstandigheid want de 17e mei, ze waren net op stel, alleen Moeders naaidoos moest nog een beurt hebben, en daar werd een dochtertje geboren. Ze kreeg de naam Antje. Naar de overleden zuster van Vader, de vrouw van Klaas Toereppel. Maar moeder had ook een zuster, Anna die overleden was en getrouwd was met Jan Koorn. Zij was aan Typhus gestorven. Maar zoals dat vroeger ging, Vader was aan de beurt, dus werd het een Antje en geen Anna. Maar moeder zeide het wordt een Ant. En zo was dan weer een dochter geboren in het lage huis in de Weere, dat van een pad gescheiden was van het hoge huis, dat oorspronkelijk de boerderij was, maar nu wel in verval raakte. In dat hoge huis woonde ook een Glas, een broer van Grootvader Pieter Glas. Dat was Jan (Moet zijn Dirk: Netty Zander) Glas en Neeltje Buis. Peet Neel zoals wij haar altijd noemden. In de Weere kwamen tal van kinderen, de mensen waren arm, maar tevreden met hun lot. Moeder werd dan ook menig keer gehaald bij een bevalling en dan ging er voor de zwakke kraamvrouw menig keer een mand soezen mee die haar weer moesten aansterken.’

Antje Glas (ongeveer 5 jaar oud).

 

‘De kinderen groeiden op. Pieter was nu 13 jaar geworden en had helemaal geen zin om Vader te helpen melken of iets anders. Hij zat maar te lezen en Frans te leren. Zodat ze maar besloten om meester in te schakelen en die gaf dan les en maakte hem klaar voor de kweekschool voor onderwijzers te Haarlem. Dat was toen de enigste manier om onderwijzer te worden. Met 14 jaar ging hij dus al de deur uit en dat duurde 4 jaar.’

Toereppel in nood

‘Inmiddels was de familie Toereppel in grote nood gekomen. Antje Glas (vaders zus) na zes bevallingen, aan longontsteking overleden met een kindje in de kist. Er waren nog 5 kinderen over, die al wat groot waren. Dus ging het nog wat, maar Oom Toereppel speculeerde wat en deed rare dingen. Vier jaar na de dood van Tante Antje werd hij ziek en overleed. Het was financieel een rare boel, dus Vader had de handen vol om te redden wat er voor de kinderen te redden viel. De oudste dochter was al verloofd met Pieter Schoen, een flinke bakkersknecht. Die trouwde dus en er werd een bakkerij in Schellinkhout gekocht. De zoon Pieter kwam bij de timmerman Groot over huis en haalde tekenles te Lambertschaag bij v.d. Oord? Klaas, de jongste, kwam bij Oom Jan Glas en Geertje Hartog. Ze hadden ook al 7 kinderen maar Klaas kon er nog bij. Dan waren er Tijmen 18 jaar en Grietje die 13 jaar was, een heel teer meiske die niet erg veel geleerd had. Die kwamen toen als pleegkinderen bij ons en hielpen in het bedrijf. Dus moeder had er een taak bij gekregen. Mijn oudste zuster Grietje was toen zeker 11 jaar geworden en die twee kregen dan voortaan dezelfde kleren aan, dat deed prettig aan en men had niet het gevoel dat Grietje Toereppel een pleegdochter was. Maar er was een hele kleine primitieve woongelegenheid, zodat de eigen kinderen ook wel eens in het gedrang kwamen. Pieter was in Haarlem en ik was nog klein, dus heb ik daar weinig last van gehad.’

‘Ons weiland lag hier en daar en alles erg ongeriefelijk. Toen ik wat groter was, ging ik dan ook met de hondenwagen woensdag en zaterdag te schapen tellen. Meestal ging dan Jaapje Schouten, een ongelukkige ziel, met me meerijden en vond dat heerlijk. Tegenover ons woonde Jan Schouten en Bet Spil. Ik was er erg graag, want ik kreeg meestal een boterham met suiker wat mijn moeder uit den boze vond. Toen ik nog geen 5 jaar was, ging ik naar de lagere school, die vlak bij was. Daar kreeg ik veel vriendinnen en zodoende kwam ik in de Weere in bijna alle huizen. Van de Gouwe kwamen toen ook nog veel kinderen, het was een openbare school. Vader en Moeder waren nog op de school geweest op de hoek, waar de bakkerij van Portegies en de kaasfabriek later waren. Maar wij gingen naar de nieuwe school. Meester van Wijk en juffrouw de Boer hebben daar heel vele jaren hun beste krachten gegeven.’

De openbare school en onderwijzerswoning in De Weere. Op de foto Jacob Berkhout, 
Piet
Berkhout, Alie Laan-Hooiboer en op de melkbus Piet Rood.

De Weere

‘Ja die Weere, daar kon ik wel veel van vertellen, het was alles voor mij genoeglijk, maar o, de mensen waren zo arm soms, maar gingen des Zondags allemaal 2 of 3 maal naar de kerk, lopende, of met het rijtuig. Wij gingen naar Hoogwoud naar de Protestantse kerk, maar van een scheiding in het dagelijks leven was geen sprake. Onze werkman en dienstbode waren altijd Rooms, dus leefden we heel genoeglijk samen. Piet Roos heeft 17 jaar bij ons gewerkt, woonde midden in de Weere en had 6 kinderen. Toen in 1904 de nieuwe kerk werd gebouwd hadden ze ook een paar kostgangers, de mensen konden niet zo gauw heen en weer reizen. Dat gaf nog een paar centen in het laadje. Maar ja als die lui dan Woensdagavond naar het café gingen om de week door te zagen en soms dronken thuis kwamen, dan was het wel eens niet zo mooi want dan vochten ze wel eens. Maar die mannen vonden dat Piet toch nodig het fietsen moest leren. Dus Piet liet zich overhalen en ja hoor ze liepen steeds naast hem, totdat ze het ook zeker moe werden en Piet loslieten. Hij kon het nu wel redden meenden ze, en o Heer, daar viel hij en kwam met zijn gezicht in de Hagendoornheining terecht. De volgende ochtend kwam Piet weer bij ons en Vader zei: wel man waar ben jij geweest. Nu het einde was dat Piet het fietsen er maar aan gaf.’

‘Ook zouden Piet en Pietertje, zijn vrouw, eens met Gert Vriend en Jannek naar de Hoornse kermis. Dat was dan het enigste uitje per jaar. Dan moet men zich dat uitstapje voorstellen. Die man moest eerst Zondagsochtends naar Simon Glas te melken. Het land lag niet bij huis dus altijd maar lopen. Dan naar huis, naar de kerk en dan daarna naar het station Abbekerk 3 kwartier lopende. Maar dat hadden ze er voor over. Hoe het verder ging weet ik niet, maar het was er erg druk en terug liepen de mannen en de vrouwen met elkaar. Bij het station aangekomen stond het spoortje al klaar en de mannen stapten alvast in. De vrouwen komen zo wel aan. Blij een plaatsje te hebben gingen ze zitten. In Abbekerk aangekomen stapten ze uit. Gert Vriend riep Jannek, Jannek, Abbekerk! Maar geen twee vrouwen stapten uit. Het geval was, dat de vrouwtjes in Hoorn in de verkeerde trein waren gestapt en op Enkhuizen aangingen. Dat was het vermakelijke maar moeilijke slot van de tocht naar de Hoornse kermis.’

‘Als het winter was, ging Vader dammen met Willem Vijn, Piet Glas (Pieter Glas geboren 23-3 1859, een neef van Simon, getrouwd met Geertje Glas geboren 1-7 1857, zij zijn later ‘geëmigreerd’ naar Koegras, daar twee boerderijen gekocht, begraven op de Nederlands Hervormde Begraafplaats in Hoogwoud: mijn overgrootouders: opmerking Netty Zander) en Teunis Smid. Ook werd er wel gekaart met theegasten of met de kinderen, maar een koffie- of theerondje hadden ze niet. Ze waren nogal in het verenigingsleven en gingen b.v. ook naar het Nut op de Gouwe. En mijn moeder klaagde dan, als ze lopende geweest waren, over de drek, die op de straten lag van de honden, want er waren nog veel mensen die een hondekar reden en daar ook hun brood mee moesten verdienen. Mensen van Hoogwoud b.v. kwamen ook bij ons met kruidenierswaren en brood enz. ’t Ging alles in het klein en voor een dubbeltje had je 4 kadetjes. Maar moeder bakte zelf ook wel brood en ’s morgens voor schooltijd moest ik dan 2 trommels smeren en de kopjes wassen. Zaterdags schoenenpoetsen voor allemaal en iedere dag 10 pennen breien. Verder mocht ik spelen en natuurlijk naar school.’

Een foto van 't Stations Koffiehuis ontbreekt, 
maar dit stond boven de deur.

 

Vriendschap

‘Ik had veel vriendinnen en kon dan ook veel genieten van vriendschap. Daar ik veel jonger was dan mijn zuster en broers, weet ik niet zoveel van hun jonge jaren en viel ik daar buiten. Veel ging ik naar de Gouwe naar Oom Jaap Helder en Tante Ma Pijper. Daar was ik als kind in huis. Ik moest dan ver lopen naar de school in de Weere, waar ik nota bene vlak bij woonde, kreeg brood mee van Tante en kwam de hele week niet thuis. Ik vond het heerlijk om met de jongens en meisjes onder wie Gerritje

(Boon) te mogen lopen. Helaas is Tante Ma op 39 jarige leeftijd op 29 september 1902 overleden. Maar evengoed mocht ik komen. De oudste dochter, Ma, deed de huishouding met haar zuster Grietje. Er waren ook 3 neven waar ik veel plezier mee had. Ze plaagden me veel, maar ik was er erg graag. Ze maakten geen drukte maar dat is voor een kind juist wat ze moet hebben. Ik pakte zelf het schoolbord uit de kast. Dat was een soort kistje met een schuifdeksel en daar lagen dan prenteboeken in, waarin ik mocht lezen. ’s Morgens moest ik van Tante ’s zomers in de boomgaard de gevallen appels opzoeken en bij haar brengen en dan gaf ze mij als beloning altijd een paar appels uit de kast voor mee naar school.’

‘Bij oom Jan Glas, tegenover de school was ook een boomgaard. Daar kreeg ik van Tante Geertje Hartog ook veel een appeltje. Ze roken altijd naar camfer want het was daar o zo netjes. Maar ook zochten we stiekem in de boomgaard naar appeltjes of pruimen. Maar als dan de hond Bello om de hoek kwam, waren we gauw weg. Dan kwamen we voorbij Dirk Koning. Die hadden een jutteperenboom. Even over het stepje in het hek en soms waren we zo gelukkig dat er een peertje lag. Nu zat ik altijd de eerste 4 jaar bij Ka Wagemaker die woonde vlak bij de kerk, dus liep de hele Weere door. Die hadden ook een boomgaard en zij had dan appeltjes mee. Maar ik had dan bloensanen mee die zij weer graag lustte en dan ruilden we die. We hadden natuurlijk een diések (broekzak, red) om, waar heel wat in kon. Zo ruilde ik ook pruimepitten die je dan stukbeet en het binnenste op at. Het waren dan pitten van de hele familie maar daar werd niet opgelet, lekker waren ze, en ik ruilde ze voor blommers zoals we ze noemden. Handwerken kon ik goed en leerde het van juffrouw de Boer maar ook hielp ik Ka wel eens en dan zei Juffrouw dat is weer geen werk van Ka. Ja het moet je vriendin maar wezen. Zij is er nog, maar niet meer volwaardig jammer!’

‘O, er zijn nu ik dit schrijf zo velen weggevallen. Ik heb nog een poëziealbum waar die namen nog in staan. Ook zijn er velen jong overleden zo ook Anna de Groot, mijn buurmeisje die 15 jaar geworden is, overleden aan Typhus in de streek waar zij als meisje diende. Dan Ma Glas mijn achternichtje, is overleden aan blindedarmontsteking. Door onkunde te laat opgenomen en ook 15 jaar geworden. (Maartje Glas is begraven in Hoogwoud, in hetzelfde graf bij haar ouders Pieter geb.23-3-1859 en Geertje Glas geb. 1-7- 1857, zij was een zusje van mijn oma Neeltje Zander-Glas: N.Z.) Trien Langedijk, getrouwd, na vele miskramen ook heel jong gestorven. Dan gingen er die tijd ook velen in het klooster waar je dan nooit meer iets van hoorde. Maar moeder is toch eens opgenomen geweest in Alkmaar in het St. Elizabeth ziekenhuis en werd verpleegd door Aagje Koning, een vroeger buurmeisje, waar zij zo uitstekend door verpleegd werd.’

Meester van Wijk

‘Meester van Wijk woonde ook in de Weere en heeft daar vele jaren zijn beste krachten gegeven aan de school. Eerst had hij een zeer lieve vrouw, had 2 kinderen, maar de vrouw is overleden. Later trouwde hij met Jaantje Vijn, protestants ook uit de Weere. Zij was echter iets bijzonders. Ze kregen trouwens nog 4 kinderen. Maar meester was haar niet zo heel erg trouw en het einde was dat Jaantje Vijn naar Castricum moest, waar zij jaren verpleegd is geweest als ongeneeslijk ziek. De huishouding werd door de dochters waargenomen, die ook allemaal onderwijzeres zijn geworden. Meester van Wijk was een zeer bekwame man, die ook buiten de school veel jongens heeft opgeleid voor een volgende school. Zijn dochters heeft hij zelf opgeleid voor onderwijzeres. Maar hij verouderde sterk en had al slechte ogen, wat nog geopereerd is geworden en hij kon weer wat zien. Maar lopen ging ook slecht, zodat Antje van Wijk haar Vader assisteerde. Hij was nog niet oud, dus het pensioen was nog ver af. En waar moesten de mensen van leven? Ten slotte is hij toch vervroegd met pensioen gegaan. Hij is echter maar 62 jaar geworden. Met 12 jaar ging ik van school maar haalde dan nog 3 jaar herhalings onderwijs, ook met handwerken. Ook leerde ik wat Frans bij Meester maar had daar niet veel animo voor, dus veel fouten, ik zat liever te melken, wat ik dan ook al goed kon.’

Grootouders

‘Een grootmoeder heb ik nooit gekend. Mijn grootmoeder Grietje Appel is gestorven aan typhus, toen moeder een half jaar oud was, met een broertje Klaas van 8 jaar. Grootvader Pijper had toen nog 7 kinderen. Hij trouwde 4 jaar later met Geertje Kreeft, een weduwe zonder kinderen, die een uitstekende moeder voor dat gezin is geweest. Dan Grootmoeder Glas, Grietje Groot (uit Sijbekarspel: N.Z.) is ook vrij jong gestorven, mijn vader was 17 jaar, nu was hij een nakomertje want zijn broer en zuster waren al 16 en 17 jaar toen hij geboren is. Grootvader Glas was ook al overleden toen ik geboren ben dus heb ik alleen Grootvader Pijper gekend. Daar logeerde ik met de vacantie. Grootvader had toen zijn derde vrouw, Elisabeth Appel, zuster van zijn eerste vrouw Grietje. Zij had nog 2 ongetrouwde kinderen die mee kwamen. Grootvader was burgemeester van Hoogwoud en woonde op de hoek bij de lindeboom, in het huis de Heerlijkheid. Er was een grote tuin met bessen, kruisbessen een perzikenboom en morellenboom. Maar die ongetrouwde dochter was wat onaangenaam en als grootvader dan zei: ‘Kijk maar eens in de tuin hoor’, dan zei ze: ‘ze slobben alles vol!’ Grootmoeder Bet was erg zuinig en ik zie haar nog met dat suikerlepeltje!!’

‘Van Grootvader Glas, (Pieter Glas geboren 17-11 1811) kan ik niet veel vertellen, die heb ik niet gekend. Hij was zeer eenvoudig en was ook een bouwersman (tuinder, red), waar mijn vader niet veel zin in had. Daar kwam geloof ik niet zo heel veel van terecht. Vader had goed school gegaan en kon ook uitstekend Frans. Geleerd van Meester van Wijk. In de Franse tijd van 1810-1813 moesten de kinderen Frans leren. Dat was wel vóór Vaders tijd, maar in de tijd van Grootvader Glas, die school ging te Lambertschaag onder de toren. Daar was toen een meester de Beurs, die was dan ook doodgraver, klokkenluider en schoolmeester. Ik heb wel eens gehoord dat die mensen moesten leven van de gegeven brokken van de boeren, bv. Erwten en bonen en tarwe, aardappels enzo. Een zeer armoedig bestaan dus. Later was dat wel wat beter bij meester Egmond maar toch ook zeer armoedig. De kinderen hadden meestal honger en dan zei de moeder kind, je moet niet zoveel bonen eten ze zullen je bezwaren, maar de bedoeling was natuurlijk, ik kan ze niet geven. O, goede oude tijd!!’

Broers en zussen

‘Mijn broer Pieter was inmiddels onderwijzer geworden en Cornelis en Grietje waren al groot en werkten op de boerderij. Het was een oud laag huis met helemaal geen land er omheen, Zodat het erg onvoordelig was in het gebruik. We hadden dan Grietje Toereppel in huis ook helpen en Tijmen Toereppel die 7 jaar bij ons was en toen trouwde met Trijntje Slagter van de Gouwe. Hij werd kastelein in Grootschermer en had ook nog wat koeien en land. Grietje (Toereppel) is 9 jaar bij ons geweest en trouwde met Aris Blauw en ging naar Obdam. Grietje (Glas) had een verloofde Louw Glas die uit de kolk van Dussen kwam. Cornelis was nog thuis en het was in mei 1906 toen Grootvader Pijper overleed. Hij werd bijna 77 jaar. Hij was 11 mei jarig. Het ging met alle kinderen en kleinkinderen lopende door de Boekel (nu Burg. Hoogenboomlaan). Ik was als jongste kleindochter. Ook Willem Pijper (uit Leiden) was de jongste kleinzoon. Toen in de herfst werden de boerderijen op de Gouwe verkocht en mijn Vader kocht de boerderij waar oom Jaap Helder woonde. Zodoende kon mijn zuster (Grietje Glas) toen in de Weere beginnen te boeren met Louw Glas. Cornelis kreeg kennis aan Maartje Smit en was nog 2 jaar thuis aan de Gouwe.’

Tijmen en Trijntje Toereppel-Slagter kwamen in dit buurtje van Grootschermer te wonen.
In het vijfde huis café 'De Jonge Ruiter'. 
Ze namen het over van Remmert de Boer, voorheen smid van de Gouwe.

 

Beelden uit mijn kinderjaren

‘Dat onze tijd de laatste 50 jaar veel veranderd is, weten we allemaal wel, maar toch zou ik graag nog even terug kijken naar de tijd van b.v. 1900. toen ik 7 jaar was en het mij nog levendig herinner. Ja, dat was de tijd dat de arme mannetjes nog aan de deur kwamen met 1 januari, en veel heil en zegen wensten in het Nieuwe jaar. Dan kregen ze een paar centen, of een broodje of zo, maar daarvoor werd je dan ook met het hele gezin veel zegen gewenst! Toen haalden de mensen ook de slechte uitgezochte erwten en bonen nog op en die zochten ze dan nog eens door om voor de middagpot te gebruiken. We woonden bij de Lindeboom in de Weere en vlak bij de school die aan ’t begin van de Weere stond vanaf de Gouwe. Dat was maar een klein stukje. Maar eer je daar was kwam ik voorbij de Bakker, de kaasfabriek, de winkelier P. Groot, K. v. Diepen, café Wouter Schutte, Timmerman, Portegies, de Kippenboer, K. Niele de schoenmaker (vader van B. Niele Egmond-Binnen). Het was een hele winkelstraat, wat er van over is weet ik niet.’

De boerderij aan de Obdammerdijk waar 
Grietje Toereppel en Aris Blauw kwamen te wonen.

Hier aan de Westfriese dijk woonde de
verloofde van Louw Glas, Grietje Glas.

‘O zalige tijd van school gaan, een appeltje uit de boomgaard van Oom Jan Glas stelen, die tegenover de school woonde of een juttepeertje gappen bij Dirk Koning. Naar de Noord door de Tropweere met de hondekar en schapen tellen, dat land heette het Scheerstuk en Abraham. Als het kermis werd op de Gouwe dan gingen we, Ma Glas en ik Zaterdagmiddag naar de Gouwe om ons te laten inschrijven voor de kinderspelen, dan moest je je naam zetten bij het café Havik Slotemaker en 20 centen betalen voor de prijzen die we konden behalen op Zondagmiddag. Daar waren dan Klaas Slagter en Willem Speets de mannen die dat uitmaakten. Maar Zaterdags was Jan Hartog uit Oude Niedorp daar dan aan het opzetten van de snoepkraam, waar we natuurlijk ook veel interesse voor hadden. We kregen dan elk een snoepje van hem, maar dan moesten we beloven, dat we Zondags al onze centen bij hem versnoepten. Maar als ik dan Zondags van Grootvader Pijper een kwartje had gekregen en in Hoogwoud een palinkje of een zure bom had gekocht van 1 cent (Want daar stonden ook kramen in de Boekel) dan voelde ik me wel bezwaard met het oog op de belofte van de vorige dag. Ook liepen we Woensdagsmiddags naar Hoogwoud naar de catechisatie wat ook een aangenaam uitstapje was. Een uur gaans, maar er was in die tijd niet zo veel, men werkte van de ochtend tot de avond. Toch was het in die jaren tot 1914 erg goed. De tijd ging iets vooruit.’ ‘Geboren 1893, 17 mei, mocht ik op 1 mei al naar de lagere school (nog geen 5 jaar) die heel dicht bij stond, dus was ik gauw heen en weer, terwijl de andere kinderen soms ver vandaan kwamen zo ook van de Gouwe, waar oom Jaap Helder woonde met tante Ma, een zuster van Moeder, en omdat ik het jongste nichtje uit de familie was kwam ik daar vaak te logeren en ging dan op boterhammen naar school. Ik was daar erg thuis, bij de grote nichten en neven, die mij wel hebben verwend denk ik. Thuis was het ook goed, maar altijd drukker, kleiner behuizing, een nicht en neef, als wezen in huis, 4 kinderen, dienstbode, 2 werkmensen want we hadden 2 huizen en het land van huis dus dat was altijd extra drukte. Alles moest geschuurd en geschrobd en geveegd worden. Een groot erf om huis, dat rond liep, dus daar kwam altijd veel kerkvolk langs. Dan was er de kaasfabriek vlakbij en de school, dus er was altijd drukte.’

Boerderij van Pijper, later van Glas.

Boerderij van oom Jan Glas, later Klaas Braak.

‘Op de Gouwe op de oude boerderij van 1671 was het daarentegen rustig. De Friese klok in de hoek hoor ik nog tikken. Oom en Tante waren ook rustiger als mijn Vader en Moeder. Maar helaas is Tante Ma op 39 jarige leeftijd overleden aan een operatie in Leiden in het academisch ziekenhuis, waar haar broer de Professor Frederik Pijper had aangeraden. Zij had een vleesvergroeiing, maar tegenwoordig komen de mensen er allemaal wel overheen. Het was 29 sept 1901 dat zij gestorven is. Grootvader Pijper leefde nog en moest dat nog meemaken. Oom Jaap Helder was in 3 dagen grijs.’

‘Ja, we hadden een vrij groot gezin. Daar er 2 kinderen van Vaders zuster, Antje Glas bij ons werden thuisgehaald. Tijmen en Grietje Toereppel. Tijmen was 19, en Grietje 13 jaar. Mijn broer Pieter wilde erg graag studeren en na de wijze lessen van Meester van Wijk kon hij op 14 jarige leeftijd naar Haarlem naar de Rijks Kweekschool voor onderwijzers. Hij was daar in de kost bij mensen met 4 jongens, waar hij later altijd nog contact mee had, o.a. Cor Bruin de schrijver. Nu die kosthuizen waren zeer armoedig, de mensen was het natuurlijk ook wat om de centen te doen. Wie zal het kwalijk nemen?’

‘Maar thuis kwamen er ook wel verhalen op tafel. Vader was een man, die als jongste zoon en nakomertje nog wel aardig wat had geleerd. O.a. ook kon hij goed de Franse taal. Mijn broer Cornelis en zuster Grietje kregen beiden dan bij Meester van Wijk Franse les, maar als meester dan eens ziek was, dan deed Vader dat, met nog wat neven van ons die ook les kregen. En Moeder was veel ziek. Maar als ze beter was, dan was ze ook wel druk in de weer met de huishouding en de kazerij. Maar zij had een ingewand ziekte, waar ze niet afkwam, dus de dokter was veel over huis. Meester Immink is in Hoogwoud jaren lang de geneesheer geweest. Ik denk toch ook dat die voeding van toen niet goed was. Moeder had geen armoede dus kon wel krijgen wat ze moest hebben. Meestal melk en eieren en biefstuk.’

Dokter Immink

 

‘Overigens deden Vader en Moeder overal aan mee en liepen dan ’s avonds in ’t donker naar het Nut op de Gouwe waar ze dan diverse oude kennissen spraken. Ook in de Weere op partijtjes of liever Bruiloften, maakte Vader altijd mooie rijmen en dan ging het er erg gezellig aan toe, op de dars of in een kamer hoogst eenvoudig maar gezellig. Het was dan ook wel het enigste bijna wat vreugde bracht in het dagelijks leven.’

‘In mei 1906 overleed grootvader Pijper, (9 mei jarig) die voor de derde maal getrouwd was, met zijn schoonzuster Betje Appel. Grootmoeder Betje is toen nog wat jaren in dat huis te Hoogwoud gebleven met haar ongetrouwde dochter. Dat huis heette de Heerlijkheid, waar vroeger de Heer van Hoogwoud had gewoond. Bij de begrafenis waren alle kinderen, kleinkinderen aanwezig. Ik zelf was 13 jaar en moest ook een zwarte jurk aan van Moeder. Dus leenden we een zwarte aanneemjurk van Grietje, de dochter van hele goede vrienden van ons, en ook Gerritje was natuurlijk mijn vriendin. In de herfst toen de boerderijen van Grootvader Pijper verkocht werden, kocht mijn vader de boerderij op de Gouwe van 1671. Nu kon mijn zuster Grietje die verloofd was met Louw Glas op de boerderij in de Weere komen en wij verhuisden naar de Gouw.’

Liefde

‘Ik werd toen 15 jaar en was later wel erg thuis op de Gouwe. We gingen naar de kermis en ’s winters naar een uitvoering, maar werken en melken nam de meeste tijd in beslag. Maar met dat al wel veel plezier, met jongens uit en waar de jeugd nu misschien over sex denken en doen, dat was er bij ons niet bij. Ik heb dat tenminste met al die vrienden nooit ondervonden. We hadden plezier en na een uitje mocht de knaap dan 14 dagen later komen koffie ophalen, je zat in het donker met meestal nog een vrijer van de dienstbode o.a. Anna Korver en na middernacht vertrokken ze per fiets of paard en kar. In die tijd leerde ik mijn latere man ook kennen. Ik vond hem enig, maar och, daar bleef het bij. Ook ging ik dikwijls met anderen en vond dat zelf niet erg, ik was ook veel te jong. Ik zal niet uitvoerig in gaan op al die wederwaardigheden, maar zo af en toe kwam ik toch weer naar Rein Kuiper terug, totdat ik besefte dat ik wel helemaal bij hem hoorde en hij was daar ook zeker van. Hij was in Hoorn in militaire dienst en dan wist ik wanneer hij op de fiets voorbij kwam. Ik moest dan juist de ramen zemen en talmde dan geweldig, als hij met Gert Schekkerman niet zo gauw voorbij kwam. Ja, dat deed je goed hoor. Ze stapten niet eens af, maar je had elkaar toch weer gezien. Meestal Zondagsavonds kwam hij dan nog even voordat hij om 12 uur weer binnen moest wezen. Ja dat was een prachtig leven, dat verlangen naar elkaar. Maar toen we verloofd waren, kwam er al een incident. Ik kreeg ischias en zo hevig, dat ik de hele zomer heb moeten liggen. Dus we konden helemaal niet eens uit. Nu voor Rein was dat al geen straf dus die kwam 2 maal per week op bezoek en daarmee uit. Dat uitgaan stelden we maar op het volgend jaar. Het was het jaar 1913. Maar de volgende zomer op 31 augustus brak de eerste wereldoorlog uit en moest mijn verloofde naar de grenzen. Mijn getrouwde broer Cornelis moest weg, had vrouw en kind en boerderij. Mijn zwager Louw had vrouw en kind en boerderij, zij allen moesten afscheid nemen. Dat was een droevige tijd. Helemaal niet wetende wat de toekomst zou brengen. Zij werden weggehaald en de overgeblevenen moesten het maar redden. Over vergoeding werd niet of nauwelijks gesproken, dat moest men voor het land over hebben. Gelukkig waren wij nog niet getrouwd, dus boerden de schoonouders nog op de boerderij aan de Langereis waar Rein dan de opvolger zou worden.’

Zie ook:

In “Westfriese Families” Herdruk 1e t/m 7e jaargang 1954 t/m 1966. Uitgave van de Stichting Westfriese Families van het Westfries Genootschap 1956 - 2e jrg. Nr.2 Hierin staat veel over Hoogwoud en de boerengeslachten aldaar, zoals: De Hoogwouder tak van de familie Glas; Appel; Cornelis Lourens Sijp en zijn geslacht; en Familiefeest te Hoogwoud, over de familie Koorn.

foto’s: Collectie Cees Modder

Links de boerderij waar Rein Kuiper en Antje Glas kwamen te wonen.

 

 

Website designed and build by Déanluma